Naar een taalrijke praktijkschool: de aanpak van 't Genseler.
Leerlingen in het praktijkonderwijs hebben vaak een kleine woordenschat en hebben in hun schoolloopbaan weinig taalaanbod gehad. Docenten neigen naar het aanpassen van de opdrachten: kortere zinnen, minder tekst, vaktermen eruit, meer voordoen. De les loopt dan soepeler. Het gevolg is wel dat leerlingen de taal die bij het vak hoort nauwelijks tegenkomen, en dus ook niet oefenen.
Ondertussen daalt de leesvaardigheid van Nederlandse 15-jarigen al jaren, blijkt uit opeenvolgende PISA-metingen. Voor het praktijkonderwijs is dat geen abstract gegeven. Deze leerlingen gaan naar een werkplek waar taal van belang is.
Praktijkschool 't Genseler werkt aan een taalrijke school. Samen met Harold Bekkering, hoogleraar cognitieve psychologie, begeleiden we — namens LeerGewoonte — de praktijkschool in Hengelo.
Het team heeft de ambitie uitgesproken om een taalrijke school te willen zijn. Het besef om leerlingen nog beter voor te bereiden op een plek in de samenleving is groot in 't Genseler.
Na het formuleren van de ambitie van het team is LeerGewoonte gestart met het observeren van het gebruik van taal in de klas door leerlingen. Op de eerste studiedag hebben we met elkaar de observaties geanalyseerd en besproken hoe een taalrijke omgeving eruit kan zien; hoe kun je leerlingen stimuleren taal te gebruiken in alle lessen van de praktijkschool? Theoretische inzichten werden verbonden met de praktijk van de lessen. Daarnaast is het belang van de plek van leesonderwijs in de praktijkschool uitgesproken.
Op 19 augustus hadden we de volgende studiedag. Centraal stonden de vragen: hoe kun je de lessen taalrijker maken, waarbij het vanzelfsprekend is dat taal een belangrijke plek in alle lessen krijgt? Samen met het team hebben we onderzocht hoe we taalontwikkeling vanzelfsprekend kunnen maken in elke les. We kwamen er op uit dat de volgende lesonderdelen in zowel praktijk- als theorielessen terugkwamen: doelen stellen (op inhoud en samenwerking), activeren van voorkennis, instructie en het reflecteren op de gestelde doelen. Op de studiedag hebben we nagedacht over hoe je denken, spreken, schrijven en lezen tijdens deze vier lesonderdelen kan stimuleren bij leerlingen. Niet alle vier de taalactiviteiten zijn geschikt voor de verschillende lesonderdelen. In groepen van vier werden werkvormen bedacht die de leerlingen nog meer uitdagen voor het gebruiken van taal. Vervolgens werden deze gedeeld in het team. Na afloop werd er gesproken van de 'herkenbare Genselerles'.
De vier fasen van de herkenbare Genselerles
Doelen stellen
Bij het stellen van doelen kwam naar voren dat een doel pas werkt als de leerling het in eigen woorden kan zeggen of uitleggen. Het doel in tweetallen laten formuleren en plenair terugkoppelen kost een paar minuten en laat direct zien wat er is binnengekomen. Docenten gebruiken ook individuele doelkaarten en exit tickets om de leerlingen met schrijven te laten reflecteren.
Activeren van voorkennis
Bij het activeren van voorkennis levert een concrete vraag over de vorige les meer op dan een algemene herhaling. Eén groep begint bij het eind: het beginmateriaal en het eindproduct samen op tafel, zodat leerlingen zien en benoemen wat ervan wordt, en verwijst daarbij naar vaardigheden die eerder zijn aangeleerd.
Instructie
Instructie is niet uitleggen maar vooral vragen stellen. De docent die de vraag terugspeelt, laat de leerling het antwoord formuleren, en dat formuleren is de taaloefening. Leerlingen werken daarbij steeds in tweetallen, zodat iedereen aan het woord komt. Andere aandachtspunten: elk stapje losmaken en niet te veel informatie tegelijk aanbieden, rondlopen en tussendoor vragen stellen, en leerlingen met een verschillende beginsituatie aan elkaar koppelen zodat ze kennis delen.
Reflectie
Bij de reflectie gaat het over de inhoud en over de samenwerking. Met wisbordjes geven leerlingen kort terug wat ze hebben geleerd en hoe het met hun maatje ging. Reflecteren is een vaardigheid die getraind moet worden, merkte een van de groepen op, en het helpt om de vraag kleiner en specifieker te maken.
Daarnaast maakte het team schooltaal zichtbaar in het gebouw met een woord van de dag, praatplaten en woorden aan de muur. Werkvormen als het draairad en de popcornmethode kwamen langs. Eén groep wees erop dat taal niet alleen in de klas plaatsvindt: elk moment op school is geschikt om te denken, spreken, lezen of schrijven.
De vier fasen zijn geen format dat afgevinkt moet worden. Een van de docenten formuleerde het op de studieochtend zo: een Genselerles mag geen keurslijf worden, maar kan wel kaders bieden. Wat de fasen wel opleveren is voorspelbaarheid, en die verlaagt de cognitieve belasting en vergroot de kans op succeservaringen bij de leerlingen.
Het vervolg
Lezen en schrijven krijgen een vaste plek in de les. Doelen worden waar mogelijk door de leerling zelf geformuleerd. Instructies worden korter, er worden meer vragen gesteld en leerlingen leggen het aan elkaar uit. Veiligheid en autonomie blijven daarbij voorwaarden: verschil in taalvaardigheid maakt sommige leerlingen onzeker, en dat vraagt om interventies op verschillende momenten en om positieve feedback.
Daarnaast krijgt 't Genseler een eigen schoolbibliotheek met een leesconsulent van de bibliotheek. De bedoeling is om lezen weer aantrekkelijk te maken, met boeken die deze leerlingen aanspreken en met een plek in de school waar lezen vanzelfsprekend is.
't Genseler is op weg naar een taalrijke school.